Sluiten

Wij


In de diepte van de ontmoeting ligt de poort,
die leidt tot de vochtige weg van een wezen.
Jouw lijf heeft zachte dalen,
waarin ik mag verdrinken.
Kliffen van wellust zijn jouw dijen.
Ik los op in jouw warme diepte.

Opstanding


Moeder je ruikt naar zweet en het is mijn schuld.
Al dat werken, alleen voor mij.

Je het schuldige landschappen.
Je hebt schuldige voorwerpen.
Ik ben een schuldig kind.

De dood is geen einde,
het is een nieuw begin van verlangen.
De opstanding is angst.
De angst om opnieuw te beginnen.

Niets is ooit echt weg.
Alles blijft.

Krassen


De vlekken van onze hartstocht
maken diepe krassen in mijn ziel.
Ik heb gewacht en ben verzocht,
gelopen gewankeld tot ik viel.

In de mist van mijn bestaan,
zweeft een onbenoemd verlangen.
Het loert naar mij met argwaan,
en reciteert gezangen

Lazarus


Dood genoeg gegaan om
voor altijd lazararus te zijn.

Leven, een gestadig sterven.

Schuld


Het is licht, en de schuld kleeft aan mij.
Verloren loop ik in het niets.
Verblind, bloedend en verlaten sta ik schuldig te kijken hoe de zon op komt.

Het gras knabbelt aan mijn voeten.
Er staat een boom, zijn takken waaien dreigend mijn richting uit.
Er is geen rust. Ik moet door, verder.

Ergens staat een kruis van blauw staal, waar ik mijn woede op kan spijkeren.
Ergens is een afgrond waar ik in kan kotsen.

Aangeraakt


Soms, een nieuw gevoel.
Het zwart vervangen door de morgen.
Het donker verdraagt de dag.

De geur van rottende bladeren loopt mee.
Welk gezicht vervuld van lach kijkt mij aan? 
Opgejaagd sterft ons hart.

Een goede herinnering

Zwetend, mopperend en tierend ga ik door mijn huis. Ik ben mijn portemonnee kwijt. Ik heb hem vast verloren, al mijn bankpasjes zitten er in. Mijn God, nu heb ik het voor elkaar. Stomme zak.
Voor mijn geestesoog verschijnt mijn ex-vrouw Coby, ik huiver.

Ze zegt "Waar heb je hem voor het laatst gebruikt?"

Deze keer draagt de verschijning mij geen kwaad hart toe.
Ik weet in eens waar de portemonnee is.

Judas


Onvermijdelijk Oorverdovend.
Dood gras, onder de boom.
Verlossing zonder verraad?
Vrede een daad.
De kus, slechts een instrument.
Judas is de naam.

Boos

Ik ben weer eens pisnijdig, woedend. Ik zie niets, alles is een waas. Ik ren de gang in. De donkerblauwe deur van de wc doemt voor mijn ogen op. Ik sla er een gat in. Mijn vuist bloed. Ik begin te schreeuwen.

Je lijkt op al mijn ex-vrouwen. Ze schreeuwt wat terug, maar ik hoor haar niet. Ik geef nog een klap op de wc deur, weer een gat. Ze komt naar mij toe en ik heb de neiging om haar te slaan. De kinderen zijn nu ook wakker, misschien is de hele buurt van wakker. Het is laat, misschien wel te laat.

Donderstraal op teef, of ik sla je op je bek. Ze loopt weg. We zijn dronken. De mist in mijn hoofd wordt minder. Er druipt bloed van mijn hand op de vloer. Ik loop weer terug achter haar aan naar de woonkamer. De bloeddruppels trekken een spoor op de blauwe gang vloer. Kleine rode eilandjes in een onmetelijke blauwe zee.

Ik sta in de deuropening, ze zit op de bank kwetsbaar in zichzelf gekeerd. Ik schreeuw. Je lijkt mijn moeder wel!

Nu wordt ze boos. Ik ben niet je ex vrouwen, ik ben niet je moeder!
Ik zeg niks, ze heeft gelijk.
Dan schenkt ze nog wat in. Het zoveelste glas. Ze schudt de fles. Hij is leeg. Ze pakt mijn glas en giet de helft van haar glas in mijn glas.

Het verzoenende gebaar dempt mijn woede.  Ze rolt zich op, de rug naar mij toegekeerd. Ik ga zitten.

Lakens gedroogd in de zon

Alleen mijn neus is koud, die steekt uit boven de dekens. Ik ruik de wind en de zon in de lakens.

Vertrouwde geluiden klinken uit de keuken beneden. De geur van warme sinaasappelsap met suiker prikkelt mijn neus. Vol verwachting hunker ik naar haar aanraking, ik weet dat ze zo naar boven komt. Met een glas vol warme zoete sinaasappelsap. Ze zegt dan, “daar slaap je lekker op”.

Dit beeld uit mijn jeugd raak ik nooit meer kwijt. Iedere keer als ik lakens gedroogd in het zonlicht ruik dan komt ze langs, mijn tante. De zachte hand die teder door mijn haren strijkt. Ze stopt me toe en zegt welterusten. Bemind val ik inslaap.

Droom

Liefste.
Gelouterd in het vuur,
verschrompeld in de wind.
Gevangen in angst,
stroomt het water.

Sneeuw

Tussen de nacht en het ochtendgloren ligt sneeuw.
Zoals zo vaak wanneer we niet slapen.
Wat we verliezen, wat we verloren,
is dronken, en stoned.

Gekwetst, samen bevriezend,
op zoek naar de avond,
tellen wij de druppels.
Vriendschap en leeftijd,
zonder begin zonder einde.


Het goddelijke koppel


Ik weet nog dat we samen in bed lagen. In elkaar gevouwen, verenigd als één. Jij was ik en ik was jij. In slaap vallen en wakker worden samen in dezelfde houding. Meedraaiend in de nacht.

Er zat geen licht tussen. Wij waren het licht. Het goddelijke koppel. 

Slordig werden wij op een ochtend wakker, opgenomen en mee gevoerd door de chaos van de dag. Ons bed te klein voor onze ambities.

Toen een metamorfose van Janis naar Kali en Narcissus.

Gescheiden, verdronken kijk ik terug. Gelaafd in bloed en alcohol.

Onze kinderen, verwrongen en verweesd, spoelen aan op het strand van de nacht. Wiet en wijn is hun erfdeel.

Ik weet nog dat ze samen in een bed lagen.

Groepsexpositie


Ze hing naast me. Portretten en landschappen met een kleur gebruik als een fruitmand instaat van ontbinding.
Direct en depressief, met wat ze later noemde haar eigen perspectief.

Ik zag het gelijk, geen opleiding, geen voorstudies, geen schetsen. Gewoon schilderen, gelijk beginnen.

Mijn schilderijen, bedacht en met een beperkt kleur gebruik. Alles precies op de goede plaats.
Magisch realisme dat was de stroming waar toe ik mij bekeerd had. Salvador Dali mijn grote voorbeeld.

Ik ging naar haar toe, we lachte verlegen. De droom begon. Verloren was ik.

Mea culpa, mea Maxima culpa

Het atelier is zon overgoten, wij zijn samen aan het werken, zo ontzettend samen.

Je kreeg toen nog gewoon les. Ik leerde je hoe je een palet moest samen stellen. Perspectief en positie van het onderwerp.  

Mijn therapeut zei deze vrouw lijkt in ieder geval niet op je moeder.
Jou therapeut zei, je bent er niet klaar voor.  

De meeste schilderijen die ik maakte in die tijd heb ik kapot geslagen. Automutilatie bij Proxy.
Mijn onvermogen om jou te begrijpen maakte mij stapelgek.  

Mea culpa. Mea maxima culpa.

Haring in tomatensaus


Ik ruik terpentijn, verf en sigarettenrook, het is doodstil in het atelier. De kanarie zingt af en toe naar het zonlicht. Jij zucht, als het moeilijk is.

Geen tijd, geen mens, alleen maar het stugge doek en de weerbarstige verf. Ik verander Cor mijn model in een Judas. Jij schildert je zelf zittend op een kruk in de zee.

Ik spoel mijn penselen uit en zeg, wil je ook wat eten?
Brood met Haring in tomatensaus.
De telefoon jengelt. Mijn ex, ik moet onmiddellijk komen.

Aangekomen zie ik haar zitten in de woonkamer, onder het bloed, ze heeft haar pols door gesneden.

Waar is ons kind? Die ligt boven te slapen. Ik ga kijken, ze is ongedeerd.

Als ze verbonden is bel ik de ziekenauto.