Alles is gezegd

Alles is gezegd

Alles is gezegd, niets heb je vergeten.
De waarheid ligt vertrapt en verkracht.
Hij wordt beschenen door de maan.
Wat blijft is reflectie,
jou grote gelijk.
Het zachte afscheid,is nabij.
De nieuwe morgen, verwelkomt ons.

Lazarus

Lazarus

Dood genoeg gegaan om
voor altijd lazararus 
te zijn.

Leven, een gestadig sterven. 

Samen

Samen

Jullie met mij.
Het is natuurlijk.
We gaan samen.
Ik leef, denk ik.
 
Delen met jullie.
Maar wat. 
Niets?
Toch!

Ik leef, denk ik.
Dromend.
Dronken.
Schreeuwend.
 
Water.
Het stroomt.
Alleen verder.

In de schaduw

In de schaduw

Schaduwen zijn van chocola. 
Zegt het maankind, 
ze verdween in de nacht. 
 
Ik heb daar dagen, 
nee jaren doorgebracht. 
Totdat de dood erop volgde. 
 
Toen ik terugkeerde 
op weg naar het licht, 
ben ik veranderd. 

Geloven

Geloven

De macht van het weten,
doet je niet geloven.
Je hebt ongelijk,
het is niet waar.
 
Sowieso wel gek.

Nachtmerrie

Nachtmerrie

Wakker worden met mijn handen om jou nek. 
Ik stik schreeuwend en spuug bloed. 
 
Vlekken op de muur, de herinnering voorbij. 
Ik droom niet, alleen zonder jou. 
 
Ongekend en toch, zolang samen. 
Troostend hoor ik. 
jou?

De verwekker

De verwekker

verdwaald in Babylon
verdronken in gedachten
sneden wij de dagen door
 
ik diende de hoer
speelde de man
veranderde de klank
 
Als tweede geboren.
De dood was voor één.
Geschonden haar polsen.
 
Tegen de zon inkijkend,
huilt het tweede kind,
de bruid die is.
 
De verwekker verloren.
Drie zeeën gevuld.
Gegeten van het manna.
 
De dood is bedwongen,
voor dit moment,
de tweede, gaat heen.
 
Twee van, hoeveel.
Ze heeft geen idee.
Maar één zal ze blijven
 
De schaduw bedwongen,
mij liefde die blijft.

Niets

Niets

Ik zie niets.
Alleen het verlangen.
Wat brengt de morgen.
Ze staan daar,
de drie-eenheid.
 
Wie is de maan.
Welke liefde.
Niets is verdiend.
Allen heb ik gekregen.

Vijf is alles.

Ik raakte je aan

Ik raakte je aan

Ik, wij en jij.
Ik kijk naar ons. 
Ik raakte je nauwelijks aan. 
 
Ik wilde je geen pijn doen. 
Ik deed bijna niets. 
 
Wij waren afhankelijk van elkaar. 
Wij waren van niemand bang. 
 
Wij hadden niemand nodig. 
Wij waren altijd samen.
 
Ik raakte je nauwelijks aan. 
Ik deed bijna niets. 
 
Toen was jij dood.

Alles

Alles

Eerst ons verleden.
Toen het heden,
en nu de toekomst.
Was ik samen,
met jou?
 
Er is slechts, verwondering.
Geen toekomst houd mij tegen.
Droom het verleden.
Was ik samen,
met jou?
 
De schuld gevonden.
Betaald met zilver.
Gebonden door water.
Was ik samen,
met jou?

Cees jr

Cees jr

Zie, mijn lief verloren.
Gekronkeld samen.
Bloesem daalt.
 
Vocht verzameld nacht.
Krimpend in een.
De kleine dood.
 
Aan de einder,
groeit het kind.
Wij zijn drie.

Lakens

Lakens

In mij leeft het. 
Grauwend en grommend. 
Vermomd als ijs.
 
Rusteloos als de wolken. 
Het raast vol verlangen. 
Met een strik aan het been. 
 
Het stormt.
Bladeren zijn de voorbode. 
Gedachten vervliegen.
 
De vlakte bevroren.
Daar woont het. 
Voortdurend op zoek.
 
Wachten in het donkere woud. 
Zoekend naar de heilige hoer. 
Verkild tot op het bot. 
 
Gevonden worden. 
De wens van het kind, 
gewikkeld in zon gedroogde lakens.

Nachten

Nachten

Gedreven, verminkt,
lopen wij in de weg.
Gevoelens vermijden.
Loven en bieden, 
om niet te verdrinken.
 
Het water stroomt,
immer over de bladeren.
Wie schuilt wordt nat.
Uiteindelijk.

Papa

Papa

De nacht eet mijn licht.
Zoals sinds mijn begin het al was.
Mijn zijn, het heeft geen zicht.
Onze dagen zijn van glas.

De wind vreet al mijn dagen,
morgen wandel ik met de dood.
Ik heb alleen maar mijn vragen.
Papa, zo word ik nooit , nooit groot.
 
De hemel nuttigt de tijd.
Onze gang naar nieuwe dagen.
Toch geeft de morgen kracht,
Wij zullen deze last dragen.

Papa, papa, rust zacht.

Bijna verdronken

Bijna verdronken

Mijn verlangen, verloren, vergeten.
Gedachten gedragen door verdriet.
Vergeten is vernieuwing.
Verlopen is de tijd.

Gedachten golven razen door mijn hoofd. 
Verwachtingen en boosheid trekken mijn dieper omlaag. 
Watertrappelend bereik ik de overkant. 
Ik klim op de oever en kots mijn laatste kus uit. 

Bijna verdronken.

Zweven

Zweven

Er is nog lucht, ik kan zweven. 
Verloren op zoek naar het einde. 
Lichter dan lucht zijn wij. 
Maanziek drinken wij elkaar. 
Tot op de bodem.
Drinken veel drinken. 
Om niet te verzuipen. 
Scheldend zinken we naar de bodem. 
 
Wat hoor ik?
Jou?
Mezelf?
Ik kan ons niet verstaan,
het water is zo troebel.
 
Het is nacht in niemandsland.

Uitweg

Uitweg

Naarstig op zoek naar herkenning. 

Een uitweg.
 
Bij de deur realiseer ik mij 
dat er achter die deur niets is.
 
Ik zoek mijn sigaretten, 
oh nee dat had ik ook opgegeven.
 
Ik ga weer op bed liggen en 
trek de klamboe om mij heen. 

De spoken druipen in mijn hoofdkussen.

Ik val.

Alles is gezegd

Alles is gezegd

Alles is gezegd, niets heb je vergeten.  
De waarheid ligt vertrapt en verkracht.
Hij wordt beschenen door de maan.
 
Wat blijft is reflectie, 
jou grote gelijk.  
Het zachte afscheid,is nabij.
De nieuwe morgen, verwelkomt ons.

Lucide dromen

Lucide dromen

Er zijn bronnen die je niet aan moet boren. 
En toch, soms, zoals nu, na een week van lucide dromen,
is er de bereidheid van aanraking.

Huiverend ga ik op weg naar het onbenoembare.

Zo ver weg, de donkere kant van de maan.
Ik ontmoet Merlijn.
Gestrand door de doodzonde van haar Vader. 

Zijn moeder de heks,
verlaten toen ze vier jaar oud was,
afgestorven in een dode hoek.

De heks die de schaduw van mijn liefdeloosheid met zich mee torst.
Bijna gewurgd door een liefde die te groot was voor één dag.

Monumenten

Monumenten

Ik zag ze allebei. 
Ze waren zo mooi. 
Monumenten van schoonheid. 
Toen. 
 
Nu lijken ze op twee verlaten gebouwen. 
Gelukkig geloven ze zelf nog in hun vergane glorie. 
 
Uitgemergeld en verweesd, 
schrijden zij door het leven. 
Wiebelend op hun vervallen pilaren van wellust. 
Stalen stiletto's krassen vloeken in het trottoir. 
Ze kijken. 
Verveloze voorgevels waar de bereidheid tot doden uit druipt. 
De half gesloten luiken vervloeken ons. 
 
Jij met je geconserveerde jeugd, 
nonchalant onderhouden. 
Jij die de jaarringen in de hals fier draagt. 
En ik, het vette vlees geworden kwaad. 
Wij leven, ondanks het gestadig sterven. 
 
Heel even, bekruipt mij het schuldgevoel, 
is het allemaal mijn schuld? 
Schuld, zo rooms. 
Zo zoet. 
Ik hoop het wel. 
 
Binnenkort peuter ik je uit je verpakking. 
In het volle daglicht en zal ik driedubbel genieten. 
Je bent een onbeschadigde roos van vlees.

Aangeraakt

Aangeraakt

Soms, een nieuw gevoel. 
Het zwart vervangen door morgen. 
Het donker verdraagt de dag.
 
Vervult van zomer. 
Strompel ik verder. 
De geur van rottende bladeren loopt mee.
 
Welk gezicht vervuld van lach kijkt mij aan. 
Was het jij, of jij. 
Nee het is...
 
Mijn laatste liefste. 
Opgejaagd sterft ons hart. 
Begraven in suiker, verblijf ik

Esther

Esther

Wij zijn altijd samen. 
Straks zal ik je voelen, 
net als toen.
 
Dat moment. 
Haar bloed gestold, 
mijn eerste. 
 
God vloog over eden, 
en ik ging mee.

Mijn muze

Mijn muze

Mijn oog slaat een slag over als ik haar zie.
Mijn hart ziet dubbel als zij gaat staan.
Haar borsten struikelen in mijn mond.
Kotsend van verrukking verschrompelde ik tot vader.
Godverdomme is ze nou helemaal besodemieterd. 

Ze heeft geen idee.
Lopend op het randje, ziet ze alleen maar zich zelf.
De smerige slet, geschapen om de camera te behagen en mijn oog te verneuken.
Vrouwen zoals zij moesten verboden worden.

Zij is en blijft mijn muze.

Katers

Katers

De zon glibbert door de ruiten,
en in mijn maag draait de nacht.
De fontein is bloed aan het spuiten,
is dit de morgen waar ik op wacht?
 
Flessen schitteren in het zonlicht
en mijn hart zoekt het blauw.
Nog altijd hebben heksen geen gezicht,
alleen mijn katers zijn trouw.
 
Ontzield liggen onze tranen,
mijn lever grauwt van pijn.
’s Nachts zie ik je in mijn wanen
overdag is mijn geloof te klein.

Kind van de duivel

Kind van de duivel

Texas overstroomt,
ze lacht,
vals.
 
Vilein en verloren,
druipt zij door de dag,
dat mens.
 
Satan grijnst,
herinnert zich, 
de heilige hoer.

Maankind

Maankind

De maan woont in haar ziel.
De donkere kant verblijft. 
Alles is ijs.
 
Licht of donker.
Jij moet zijn.
Niet haar verdriet.

Krassen

Krassen

De vlekken van onze hartstocht
maken diepe krassen in mijn ziel.
Ik heb gewacht en ben verzocht,
gelopen gewankeld tot ik viel.
 
In de mist van mijn bestaan,
zweeft een onbenoemd verlangen.
Het loert naar mij met argwaan,
en reciteert gezangen.

Marianne

Marianne

Liefste, 
ik heb het koud, 
erg koud.
Buiten adem, 
verlaten, 
ontmanteld. 
 
Mijn lief zie, 
zwarte panters, 
in de nacht.
 
Ons maankind
zwerft, 
altijd lucide. 
 
Hou mij vast Lucy, 
de sterren, 
zijn diamanten.
 
Samen, 
op dat bankje. 
 
Ik heb het koud.

Pijnbomen

Pijnbomen

Within Temptation scheurt uit de boxen, 
het ruikt naar terpentijn en olieverf. 
De dromen zijn gestold tot beelden. 
Mijn tranen vergoten bij jou. 
Drie keer gebroken. 
Drie keer opgestaan.

Zelfs de dood, voor het moment bedwongen.
Levend hout dat bloeit in de lente. 
Sterven zal ik, branden zullen wij in de herfst. 
Dood hout is het laatste van het leven. 
Warmte voor ons gebroed verschaffen, is onze toekomst.

Winter

Winter

IJsbloemen op de ruiten.
Bedekt door dekens en haar bontjas.
Het is bloedheet.
De geur van ijs en Chanel N°5. 
Dobberend naar de oever van morgen.

Water

Water

Wij bestaan uit verlangen.
De herkenning is verdronken.
Lust is verminkt, verwrongen.
Stroomt het water?

Voorwaarts

Voorwaarts

Heksen rijgen zich aan een. 
Terwijl jij daar levenloos zweeft. 
 
Vreselijk, dit wachten, jouw opstanding, genadeloos. 
Het verdriet zo oneindig, dat ik mij bevuil. 
 
Geschoffeerd, wie ik! 
Ja man. 
 
En ik ga heen. 
Maar waar naartoe? 
 
Voorwaarts… 
 

Voor Henk

† 12 oktober 2008 

Voorlopig was hij, 
Bedachtzaam hard. 
Zacht aanwezig. 
 
Niet mijn, 
man. 
Vader. 
Vriend.
 
Veilig in Jezus armen. 
Wie weet. 
Ik niet.

Verloren

Verloren

Verloren lief,
wordt wakker. 
Drink de wijn, 
vermenigvuldig het licht. 
 
Mijn zaad, 
bewoond jouw ziel. 
Schuld is een mythe, 
zonden een noodzaak. 
 
Verloren lief, 
leef de dagen. 
vergeet de nachten, 
drink de zon.

Drinken, verdrinken

Drinken, verdrinken

Gedachten golven razen door mijn hoofd. 
Verwachtingen en boosheid trekken mijn dieper omlaag. 
Watertrappelend bereik ik de overkant. 
Ik klim op de oever en kots mijn laatste kus uit. 
Bijna verdronken.
Ik was al op weg naar het einde. 

Terug naar zee

Terug naar zee

Omarmd door ons verlangen,
keer ik terug naar de zee.
Niets kan dit vervangen,
in mijn slaap dein ik mee.
Wakker ben ik nog gevangen,
golven beleeft door twee.
Mijn bloed zingt gezangen,
terug naar het licht, nee.

Sneeuw

Sneeuw

Tussen ochtendgloren en nacht zat sneeuw.
Zoals zo vaak wanneer we niet slapen,
zit jij daar ook, rokend en drinkend.
Wat we verliezen, wat we verloren,
is dronken, en stoned.
 
Gekwetst, samen bevriezend,
op zoek naar de avond,
tellen wij de druppels.
Vriendschap en leeftijd,
zonder begin zonder einde.
 
Je moeder kan je verlaten,
terwijl ze ons nooit had.
Geradbraakt drinken wij,
roken wij, en glijdt de dag weg.
Sterven, sowieso gek.

Samen slapen

Samen slapen

IJsbloemen op de ruiten.
Bedekt door dekens en haar bontjas.
Het is bloedheet.
De geur van ijs en Chanel N°5. 
Weg drijvend naar de oever van morgen,
blijf ik.

Zij slaapt
haar lijf is zonder mij
ik ben boos.

Ze ligt daar getooid in stijgen en dalen.
Ik zit.
Onbegrensd in haar stille dood.
Ik kijk.
Rumoerig zakt het katoen omlaag.
Ik huiver.
Het dons op haar rug krult.
Ik denk.
Zijn wij zijn samen?

Schuldig

Schuldig

Je hebt schuldige landschappen.
Je hebt schuldige voorwerpen.
Ik ben een schuldig kind.
 
De dood is geen einde.
meer een leeg begin.
Een opstanding van angst.
 
Schuld kruipt met ons mee.
Niets is ooit weg.
Alles blijft.

Onvermijdelijk

Onvermijdelijk

Oorverdovend,
het onvermijdelijke.
Dood.
Onder de boom.
 
Verlossing zonder verraad?
De kus.
Slechts een instrument.

Mijn lief

Mijn lief

Ze ligt daar getooid in stijgen en dalen. 
Ik zit.
Onbegrensd in haar stille dood.
Ik kijk.
Rumoerig zakt het katoen omlaag.
Ik huiver.
Het dons op haar rug krult.
Ik denk.
Zijn wij zijn samen?

Angina pectoris

Angina pectoris

God schreeuwt om Layla.
Iedere dag zo blauw.
Tranen rollen over de straat.
Het gebed van een zondaar klinkt.
De hemel huilt.
Clapton is god.